Hoofdstuk 2: Interpunctie

Zonder leestekens en hoofdletters zou het voor een lezer moeilijk zijn een tekst vlot te begrijpen. Door het gebruik van leestekens maak je de lezer immers duidelijk hoe hij de tekst moet lezen.

Soms is een tekst zonder leestekens zelfs voor verschillende uitleg vatbaar. Een voorbeeld kan dit verduidelijken:
- Herman zei Margot is niet in staat liefde te geven
- Herman zei: ‘Margot is niet in staat liefde te geven.’
- ‘Herman,’ zei Margot, ‘is niet in staat liefde te geven.’

Het zal duidelijk zijn dat het plaatsen van leestekens geen kwestie is van een esthetisch gevoel (‘zo staat het mooi’), maar van het doelbewust meegeven van een interpretatie aan een zin. Hoe veelzeggend bijvoorbeeld een komma kan zijn, wordt duidelijk in de volgende twee zinnen:
- Morgen komt mijn zus, die in Amsterdam woont.
- Morgen komt mijn zus die in Amsterdam woont.
In de eerste zin heeft de ‘ik’ maar één zus. Zij woont in Amsterdam. In de tweede voorbeeldzin is er sprake van meer zussen, van wie er slechts één in Amsterdam woont.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op:
- de punt, het uitroep- en vraagteken
- de komma
- de dubbele punt en de puntkomma
- de aanhalingstekens.

Opdrachten Hoofdstuk 2 Interpunctie

Antwoorden Hoofdstuk 2 Interpunctie