Inleiding

In dit deel staat de tekststructuur centraal. Het gaat dus om de samenhang in de tekst.

Er zijn vier maatstaven voor de kwaliteit van de tekststructuur:

Alle verwijswoorden moeten duidelijk worden gebruikt.
Verwijswoorden komen in de plaats van iets wat eerder is genoemd (het zgn. antecedent).
Je kunt daarbij denken aan woorden als ‘daarmee’, ‘deze’ en ‘hij’.
Voor de lezer moet direct duidelijk zijn waarnaar deze woorden verwijzen. Daarom is de volgende dubbelzinnige verwijzing foutief:

● Ik heb gisteren een nieuwe tv en een pc aangeschaft. Deze doet het echter niet goed.

Onduidelijk is of ‘Deze’ naar de tv of de pc verwijst.
Een fout die veel vaker voorkomt, is dat het verwijswoord te ver verwijderd staat van het antecedent, waardoor het verband onduidelijk wordt. De beste plaats voor het antecedent is dezelfde of de vorige zin. 

Nog erger wordt het ten slotte wanneer er sprake is van een ‘loze verwijzing’: het verwijswoord slaat dan nergens op terug. Iemand gebruikt bijvoorbeeld het woord ‘toen’, terwijl nergens (meer) staat wanneer dat was. Deze fout is vaak te verklaren door verkeerd gebruik van de tekstverwerker.

Alle verbanden tussen en binnen zinnen moeten worden aangegeven met een passend signaalwoord.
Signaalwoorden zijn verband-aanduidende woorden. Daarbij valt te denken aan woorden als ‘dus’ (conclusie), ‘ook’ (opsomming) en ‘omdat’ (reden).
Zonder signaalwoorden is het verband tussen zinnen niet direct duidelijk. Zinnen zijn dan mogelijk polyinterpretabel. Wat is bijvoorbeeld de relatie tussen de volgende twee zinnen?
Joris gaat naar de familiedag. Denise blijft thuis.

Joris gaat naar de familiedag, maar Denise blijft thuis. (tegenstelling)
of
Joris gaat naar de familiedag, want Denise blijft thuis. (reden)
of
Joris gaat naar de familiedag. Denise blijft daarom thuis. (gevolg)
of
Joris gaat naar de familiedag. Toch blijft Denise thuis.
(je zou verwachten dat Denise dan ook ging)
of
Joris gaat naar de familiedag, hoewel Denise thuisblijft.
(je zou verwachten dat Joris dan ook thuisbleef)
etc.

In hoofdstuk 6 wordt uitgebreid ingegaan op alle mogelijke zinsverbanden en daarbij passende signaalwoorden.

Er dient een duidelijke en logische indeling te zijn in teksteenheden.

Informatie die een geheel vormt (d.w.z. een overkoepelend thema heeft) moet bij elkaar staan, en duidelijk worden onderscheiden van de overige teksteenheden. Voor het maken
van een logische en overzichtelijke indeling in hoofdstukken, (sub)paragrafen en alinea’s is een bouwplan-vooraf feitelijk onmisbaar. Dit is het onderwerp van hoofdstuk 7.

De tekst als geheel en alle complexe teksteenheden moeten zijn voorzien van een structuur-aanduidende inleiding.

De hoofdfunctie van elke inleiding is de lezer laten zien waarover de tekst (of teksteenheid) gaat, en hoe deze is opgebouwd. Na het lezen van een inleiding weet de lezer dus wat hem te wachten staat. Het bouwplan biedt voldoende aanknopingspunten om zonder veel moeite functionele inleidingen te schrijven. Dit wordt behandeld in hoofdstuk 8.