Hoofdstuk 6: Verband-aanduidende woorden (signaalwoorden)

In dit hoofdstuk worden alle mogelijke verbanden tussen en binnen zinnen besproken, samen met de signaalwoorden die deze verbanden aangeven.

Inzicht in het gebruik van deze signaalwoorden stelt je niet alleen in staat op passende wijze relaties te leggen in de tekst, maar geeft je bovendien de mogelijkheid variatie aan te brengen in de woordkeuze en zinslengte (zie hoofdstuk 10). Sommige signaalwoorden verbinden namelijk zinnen, terwijl andere bij een nieuwe zin horen. Als je twijfelt over het al-dan-niet-verbinden van signaalwoorden, kun je een ezelsbruggetje gebruiken: past het signaalwoord achteraan in de losse zin ‘Ik doe het …’, dan verbindt het niet. Past het er niet in, dan verbindt het wel:
● Ik doe het toch. / Ik doe het immers. / Ik doe het daarom. (passend, dus niet-verbindend)
● Ik doe het hoewel. / Ik doe het want. / Ik doe het zodat. (foutief!)
, hoewel ik het doe / , want ik doe het / , zodat ik het doe (verbindend)